Boerenkermis
1.
De boerkens smelten van vreugd en plezierAls d'oogst is binnengereden.Ze gaan met hunne boerinnen te bierEn zij maken zeer goede sier.De bezem steekt ten venster uit:
KeerzangMen danst er, men speelt er al op de fluit,Op potten en pannenOp glazen en kannen,Op allerhande geluid;Op messen, op schup en op zoutevat,Op hangel op tangel, op dit en op dat,Op trommeltje rom, dom domme dom dom;Op keteltjes, lepeltjes, tikke tik tang,En dat gaat zo den helen dag lang.
2.De boerkens hebben het aards paradijsDoor Adam verloren, hervonden.Zij roeren de lepel als was het om prijs.In de rijstpap die hemelse spijs.De jonkheid kiest een liefje uit.